Scholen

School Hooghal Lage Heide

1840 – 1868  Openbare School aan de Liefkenskoeksestraat in de Lagehei 

                                                                 

In de gemeente Escharen werd er al onderwijs gegeven voor 1800. De school stond in de Kom van Escharen. Leerplicht bestond er nog niet, maar toch gingen er al aardig wat kinderen naar de school, vooral ’s winters (ongeveer 70), ’s zomers moest er thuis en op het land meegeholpen worden, dan waren er ongeveer 30 kinderen op school. Onderwijzer was Albertus van de Wiel. In 1827 overleed hij en werd hij opgevolgd door zijn zoon Johannes van de Wiel. De onderwijzer moest de verklaring afleggen, dat hij geen kinderen op zijn school zou toelaten, dan die welke voorzien waren van het bewijs, dat ze de koepok-inënting ontvangen hadden.

De onderwijzer verdiende toen per jaar: Landelijk tractement fl. 200,=; vrije woning en tuin; fl. 35,= voor het onderwijs aan arme kinderen; turf en hout voor de verwarming van het schoolvertrek en fl. 0,15 schoolgeld per maand van de kinderen die het betalen konden. Meestal hadden de schoolmeesters er allerlei baantjes bij om toch nog een redelijk inkomen te hebben. In Escharen was Johannes van de Wiel ook: doodgraver, organist en koster.

Avondschool

Op beide scholen werd men in 1867 verplicht om avondschool te doen, van 1 november tot 1 maart van 18.00 uur tot 19.30 uur. Drie dagen in de week. Er werd gebruik van gemaakt door ong. 20 leerlingen van verschillende leeftijden, allen boven de 12 jaar. Met name jongens namen hier aan deel. Ze hadden gratis gebruik van alle schoolmaterialen

Lessenaar van de meester met hulpmiddelen om de orde te handhaven.


Begin in de Lageheide

Enkele inwoners van de Lageheide schreven eind 1839 een brief naar de Gemeenteraad om een Tweede school daar in hun buurt te mogen oprichten. Aangezien ze echter te weinig geld hadden, werd hun verzoek op 13 jan. 1840 door de gemeenteraad van de hand gewezen. Toch ging het toen snel, want de start van het onderwijs in Langenboom zou men kunnen zien bij het besluit van de gemeenteraad van Escharen al op vrijdag de 17e januari 1840, dus 4 dagen later.
In een deftige brief aan de Gedeputeerde Staten van de provincie schrijft men als volgt:

 “Present M. Poos, Burgemeester, M. Cuppen en A. van de Burgt, Assessoren (wethouders), M. Peters, M. Linders, P. van Raaij en G. Jans, Leden van de Raad.

Het Gemeentebestuur van Escharen, als daartoe speciaal door den Burgemeester geconvoceerd (uitgenodigd), in overweging genomen hebbende:

  1. Dat bij overstrooming der Beersche Maas de schoolkinderen aan de linker zijde van de rivier de Raam wonende, niet als door middel van schuiten de School kunnen bereiken, hetwelk bij hoogen vloed en stormachtig weder hoogstgevaarlijk en moeijelijk is, zoodat de ouders zich alsdan verpligt zien hunne kinderen tehuis te houden, en dezen soms weeken achtereen van het onderwijs verstoken blijven.
  2. Dat veele hunner op een gemiddelde afstand van bijna een half uur gaands van de Dorpsschool verwijderd, ook buiten overstrooming, zoo door slecht weder, als kortheid der dagen, niet in staat zijn, het onderwijs geregeld bij te wonen, hetwelk vooral voor jonge kinderen van 6 à 10 jaren, welker getal door de toenemende bevolking aldaar op meer dan vijftig kan worden berekend, genoegzaam ondoenlijk is.

 Om deze dringende redenen in het onderwijs willende voorzien, heeft goedgevonden en verstaan om het Provinciale Bestuur authorisatie te verzoeken tot oprigting of daarstelling van een hulp of noodschool op het gehucht de Lage Heide, zijnde genoegzaam het middelpunt der bewoners aan de linker zijde van den Raam, en zulks onder de navolgende bepalingen:

a. Het Gemeentebestuur zal onmiddellijk of althans zoodra mogelijk een geschikt lokaal of vertrek tot schoolhouden doen inrigten voor ten minste een 60tal kinderen, en hetzelve van de nodige banken en schrijftafels voorzien.

b. De vereischte brandstoffen ter verwarming zullen of door het bestuur geleverd of door den onderwijzer tegen een geldelijke vergoeding worden verstrekt. Het Gemeentebestuur zal de kagchels met toebehoren geven.

c. Den aanvang van het onderwijs zal telken jaar een begin nemen op den 15e November en den 15e Maart eindigen. Het bestuur houdt echter voor, het onderwijs vroeger of later te doen plaats hebben, naar mate de overstrooming of andere omstandigheden zulks gebieden.

d. Aan de onderwijzer der hoofdschool wordt de zorg van het onderwijs in de nood of hulpschool opgedragen, welke daarvoor behalve het gewone school of maandgeld der leerlingen, eene tegemoetkoming of toelage uit de kas der gemeente zal genieten van Tachtig Gulden s’jaars, in twee termijnen te voldoen, waarvoor hij aanneemt en verpligt zal zijn, op den 15e November van elk jaar, voormelde school te openen door eenen bekwamen ondermeester ten genoege van het bestuur en den Districts Schoolopziener voorgedragen, die gehouden zal zijn dagelijks ten minste vier uren en wel van negen tot elf en van twee tot vier uur des namiddags onderwijs te geven; blijvende de Hoofdonderwijzer in de Kom des niet te min voor de geregelde en goede behandeling van het onderwijs aansprakelijk.

De provincie deed niet moeilijk en op 31 januari 1840 gaven ze al toestemming. Zo kon men op 15 november 1840 van start gaan met de Hulpschool in de Lage Heide. Daar had het Armenbestuur nog een huisje in eigendom en daaraan vast werd een ruimte als schoollokaal ingericht. Het geld hiervoor verkreeg men door de verkoop van turfgrond in de Wanroyse Peel, die in het bezit was van de gemeente Escharen. Men noemde het voortaan de Hulp- of Noodschool te Hooghal.

Dat dit lokaaltje veel te klein was gebouwd bleek al heel snel. De schoolopziener wees er in 1844 al op, dat hij meermalen bij het gemeentebestuur geklaagd had, dat het lokaaltje vergroting en doelmatiger inrichting nodig had. Tja wat wil je ook, als er ongeveer 60 kinderen bij één schoolmeester in een kleine ruimte bijeen zitten.

De meeste kinderen gingen vooral in de wintermaanden naar school, dan was er op het land nog niet zoveel te doen. Een aantal ging ook in de zomermaanden naar school, dan moest men echter helemaal lopen naar de school in de Kom van Escharen.

Gelukkig kwam er al vrij snel een uitbreiding van de lestijden op Hooghal. Reeds in 1847 werd ze opengesteld van 1 november tot 1 mei. Weinig kinderen zullen nu nog de school in Escharen bezocht hebben. Weer iets later, op 11 mei 1854, werd het besluit genomen dat op de school het gehele jaar door les gegeven werd. Het salaris van de hulponderwijzer bleef wel hetzelfde nl. f. 80,= plus ongeveer f. 100,= zijnde de leergelden van een aantal kinderen,

Op de 15e januari 1851 zaten 38 jongens en 32 meisjes op school. Op 15 juli zaten er veel minder kinderen op school: 15 jongens en 13 meisjes. Er moest nu thuis en op het land meegeholpen worden.

Hiervan kregen 8 jongens en 7 meisjes kosteloos onderwijs. Ze waren thuis te arm om iets te betalen. Ook waren er 11 kinderen van behoeftige, doch niet bedeelde ouders. De gemeente betaalde dan het schoolgeld. Er zaten op de school op Hooghal veel meer arme kinderen, dan op de school in Escharen zelf. Ook kwamen er kinderen naar die school uit Reek, Zeeland en Velp.

Er werden wel steeds plannen gemaakt voor vergroting van deze Hulpschool, maar het kwam er maar niet van. De gemeente was niet zo scheutig met geld. In 1860 werd het de schoolopziener weer te gortig en opnieuw schreef hij een brief naar de gemeente waarin hij aangaf, dat er in het lokaaltje op Hooghal nauwelijks verse lucht binnenkwam en het eigenlijk zou moeten afkeuren. Ook hadden ze er veel te weinig schoolmeubelen. Tevens ontbreken er hulpmiddelen zoals grote borden, letterkas, leestafels en een stel maten en gewichten. ”Het is onmogelijk dat een kind veel zal leren en de onderwijzer lust en ijver voor zijn vak zal behouden, wanneer hij van alles verstoken is en geen medewerking van het gemeentebestuur ondervindt”, aldus de schoolopziener.

       Het schrijven oefende men met lei en griffel

Onderwijs

Dat de kinderen wat konden lezen, schrijven en eenvoudige rekensommen maken, was voldoende. Doorleren deed bijna niemand. Later kregen ze ook nog wat geschiedenis en aardrijkskunde en natuurlijk zingen en tekenen.

Onderwijzers

Wie de onderwijzer op Hooghal vanaf het begin geweest is, hebben we niet kunnen achterhalen. Wel, dat op 30 oktober 1852 werd benoemd ondermeester J. van den Elzen. In augustus 1857 vertrok hij weer en kwam onderwijzer Egbertus Bouwens op Hooghal les geven. Zijn inkomsten bedroegen: van de gemeente f. 100,=, aan schoolgeld van de kinderen f. 70,= en nog f. 15,= van de gemeente voor de arme kinderen die zelf niets konden betalen. Totaal jaarinkomen van f. 185,=. Een karig inkomen. Deze onderwijzer, vanaf 1857 van de 3e rang, stond eerst onder Johannes van de Wiel, die hoofdonderwijzer was in Escharen en later van Franciscus van Casteren.

In 1864 ging Egbertus Bouwens naar de school in Gassel en werd in zijn plaats op de 1e januari 1865 benoemd: Johannes Roelofs uit Cuijk. Zijn jaarsalaris bedroeg
f. 250,=. Het loon werd in 4 termijnen in een jaar betaald. Hij zou 36 jaar op de school blijven.

Verordening op de Openbare Lager Scholen: 1860

Artikel 1.Op de Scholen worden toegelaten alle kinderen van ouders, voogden of verzorgers binnen de gemeente gevestigd, zoodra zij den ouderdom van vijf jaar hebben bereikt.

Binnen de eerste vijf dagen van elke maand zullen nieuwe leerlingen worden aangenomen.

Artikel 2. De plaatsing van kinderen buiten de gemeente woonachtig geschied in overleg met het gemeentebestuur hunner woonplaats.

Artikel 3: Gedurende het geheele jaar wordt elken werkdag school gehouden, uitgezonderd des zaterdagsnamiddags en avonds, tevens wordt een vacantietijd gehouden van veertien dagen in de maand Augustus of September.

Artikel 4: De schooluren worden bepaald als volgt:

  1. des voormiddags van 9 tot 111/2 uur
  2. des namiddags van 1 Maart tot 1 November van 2 tot 4½ uuren van 1 November tot 1 Maart van 1½ tot 4 uur.

Artikel 5: Een kwartier uurs van het begin van iedere schooltijd wordt de schooldeur gesloten en geene leerlingen meer toegelaten. Uitgenomen bij ziekte, waarvan de Onderwijzer wordt kennis gegeven is het de leerlingen verboden zonder verlof van de school te blijven.

Artikel 6: De jongens en meisjes worden zoveel doenlijk afzonderlijk geplaatst.

Artikel 7: Aan kinderen die de kinderziekten niet gehad hebben, of de koepokken met geen goed gevolg hebben ondergaan, die aan eene besmettelijke huid of andere ziekte lijden, of uit een huis komen , waar zoodanige ziektes heerschen, wordt de toegang tot de school ontzegd.

Artikel 8: Gedurende de schooluren gedragen de kinderen zich ordelijk en stil en komen de bevelen des onderwijzers na, zij die zich schuldig maken aan luiheid, wangedrag of niet tijdig ter school komen, worden door gepaste middelen tot hunnen pligt gebracht.

Indien alle pogingen ten deze vruchteloos blijven, worden zij van school weggezonden. Dat wegzenden zal echter niet plaatshebben, dan na bekomene goedkeuring der plaatselijke schoolcommissie.

Artikel 9: Het is de leerlingen verboden, zonder toestemming van den onderwijzer, de boeken of schoolbehoeften naar huis mede te nemen.

Artikel 10: Gedurende de schooluren mogen niet meer dan twee leerlingen zich tegelijkertijd uit school begeven en vooral geen van beiderlei kunne. De kinderen dienen zich bij het verlaten der school, op den weg betamelijk, ingetogen en beleefd te gedragen.

Artikel 11: Eenmaal ‘s jaars worden bij gelegenheid der vacantie de schoollocalen ten koste der gemeente geheel schoongemaakt en gewit. De verordening treedt in werking op 1 januari 1861.

 

Avondschool

Op beide scholen werd men in 1867 verplicht om avondschool te doen, van 1 november tot 1 maart van 18.00 uur tot 19.30 uur. Drie dagen in de week. Er werd gebruik van gemaakt door ong. 20 leerlingen van verschillende leeftijden, allen boven de 12 jaar. Met name jongens namen hier aan deel. Ze hadden gratis gebruik van alle schoolmaterialen

Graafsche Courant 27 juni 1868

Waar stond de school in de Lage Heide?

Zekerheid hierover kregen we door wat er in de Graafsche Courant stond omtrent een brand in de Lage Heide. (Zie afdruk hiervan). Hieruit blijkt, dat er op 24 juli 1868 brand is ontstaan in een boerderij van Francis Cuppen, bewoond door Jan Cuppen, aan de Reekse kant van de Hoge Raam. Aan de Lageheide zijde van de beek, tegenover het huis van Maarten van Erp (nu Erik van Boekel-Liefkenshoekseweg 6) stond aan de andere zijde van de weg het huis van het Armenbestuur, bewoond door de weduwe Francisca Franssen, met als aanbouw de Hulpschool.

De brand verwoestte de hulpschool geheel, alleen de hulpmaterialen en banken wist men nog te redden. Nu kwam de vraag op: moet ze hier herbouwd worden of ergens anders?

Zolang er nog geen nieuwe school was, gingen de kinderen in Escharen naar school. Johannes Roelofs gaf daar ook les. Het zal er wel een potje met pieren geweest zijn.